De Geschiedenis van Jacobswoude!

Hoogmade 

Hoogmade was sedert 1252 een zelfstandige hoge heerlijkheid. Deze laatste aanduiding betekent dat de ambachtsheer strenge, hoge straffen, tot zelfs de doodstraf toe, kon opleggen. Heerlijkheden waar deze straf niet uitgesproken kon worden, werden aangeduid als lage heerlijkheden. In 1855 kwam er een einde aan de zelfstandigheid van het plaatsje, want bij wet van 11 juli 1855 werd de gemeente bij Woubrugge gevoegd.

 

Blijkens de naam bestond het dorpsgebied van Hoogmade in het midden van de dertiende eeuw uit relatief hoog gelegen land met een open karakter, dat als grasland werd benut. Bij de ontginning wist men zich beperkt door voorschriften, maar het verkavelingspatroon vertoont desalniettemin onregelmatigheden en aangenomen mag worden dat het ontginningsproces broksgewijze heeft plaatsgevonden.

 

De ,,eilandjes” tussen de Does (die voor 1200 werd gegraven) en de Scheisloot (nu Voorwateringh), die samen de Piestpolder vormen, werden niet tegelijk ontgonnen met de aangrenzende venen en behoorden ook niet tot het grondgebied van de heerlijkheid Hoogmade.

jacobswoude

De weg door het dorp volgde de noordoever van de Does en de Scheisloot op korte afstand en fungeerde als ontginningsbasis en as van het lineaire dorp. Rond 1850 lagen de meeste huizen en boerderijen langs de noordzijde van de weg en was er sprake van lichte komvorming in de nabijheid van de Nederlandse hervormde kerk. Hoogmade had overigens steeds een overwegend rooms-katholieke bevolking. Dit werd veroorzaakt door de vanouds tamelijk geïsoleerde ligging van het dorp, maar was vooral een gevolg van het feit dat de ambachtsheren rooms-katholiek waren.Aan de enigszins geïsoleerde ligging kwam in 1872 een einde toen het veer over de Does en de rijweg van Ter Aar naar Leiden (provinciale weg nummer 6) over Woubrugge en Hoogmade werd vervangen door een brug.

 

De rooms-katholieke kerk van het dorp stortte in de zomer van 1929 in en werd in 1932 vervangen door het huidige bedehuis, naar een ontwerp van ir. J. van der Laan uit Leiden. Voortgaande komvorming trad op in de nabijheid van de kerk en de brug, terwijl ook de zuidzijde van de weg dichter bebouwd raakte. Zelfs het kleinste van de eilandjes was bij het dorpsgebied gekomen toen de bebouwde kom in de jaren dertig werd geschetst. Tot mei 1940 was er weer enige verdichting van de bebouwing, maar amper uitbreiding.

 

Vanouds was Hoogmade voornamelijk op de veeteelt georiënteerd maar daarnaast waren er twee scheepmakerijen en een veerdienst op Amsterdam en Leiden. Na de ontsluiting nam het woonforensisme toe en in het begin van de Tweede Wereldoorlog werd zelfs een uitbreidingsplan gemaakt. Het plan voorzag in de aanleg van enkele woonstraten in het noorden van de bebouwde kom, maar het plan werd niet uitgevoerd. Een later ontwikkeld uitbreidingsplan werd wel gerealiseerd. Dit ontwerp sluit enigszins aan bij het bestaand verkavelingspatroon, maar overigens werd het dorp door dit plan sterk gewijzigd. In 1988 werd het tracé van de provinciale weg nummer 6 zuidwaarts verlegd en daarmee om Hoogmade geleid. Tevens kreeg het dorp een aandeel in de watersportvoorzieningen en breidde het zich uit over de Does, waar woonschepen liggen.

 

Leimuiden
In Leimuiden heeft de meeste verdichting van de bebouwing plaatsgevonden langs de Willem van der Veldenweg. In de omgeving van de Drecht zijn nog restanten van achttiende-eeuwse bebouwing aan te treffen. In het Monumenten Inventarisatie Project van de provincie Zuid-Holland zijn diverse vrijstaande woonhuizen van rond de vorige eeuwwisseling opgenomen die te vinden zijn langs de Willem van der Veldenweg, de Dorpsstraat en het Noordeinde en bij de brug in Bilderdam. In het centrum van het dorp staan enkele villa-achtige woonhuizen. Uit ongeveer 1815 dateert een vrij gaf exemplaar aan de Dokter Stapenséastraat 2.

 

Naast de gedeeltelijk zeventiende-eeuwse Nederlandse hervormde kerk telt Leimuiden nog twee andere kerken. Aan de Dokter Stapenséastraat 36 staat een sober gereformeerd kerkgebouw uit 1912. Nabij de kruising met de Vriezenweg bevindt zich aan de Willem van der Veldenweg 26 een rooms-katholieke kerk met pastorie, in 1856 en 1863 gebouwd. Verder zijn boerderijen te vinden langs wegen en dijken, vooral langs de Vriezenkoop (Zuidzijde) en langs de Oude Wetering, te weten aan de Westerdijk en het Westeinde. De meeste hiervan dateren uit de periode 1875-1925, maar langs de Vriezenkoop staan er ook enkele die gedeeltelijk achttiende-eeuws zijn. In het centrum van het dorp staat aan de Dokter Stapenseastraat 24 een (voormalige) boerderij uit het begin van de twintigste eeuw.

 

Een deel van de groep objecten van bedrijf en techniek hangt samen met de waterhuishouding: de ophaalbrug uit 1935 in Bilderdam en het gebouw van het vroegere gemaal Van der Breggen aan de Drecht (Vriezenkoop 53), in 1879 gebouwd met kenmerken van eclecticisme en waterstaatstijl. Langs het Noordeinde, aan een zijtak van de Ringvaart, is een concentratie van industriële bebouwing uit het begin van de twintigste eeuw. Een kleine voormalige gasfabriek met rondboogvensters en een wapenschild in de voorgevel ligt enigszins verborgen achter de bebouwing (Noordeinde 100). Rechts daarvan, op het adres Noordeinde 106, staat een vroegere zuivelfabriek met woonhuis. Hierin is tegenwoordig een gebakfabriek gevestigd. De grootste uitbreiding is in de jaren zestig en zeventig gerealiseerd ten westen van de Dorpsstraat. Ook aan de oostzijde ontstond in de jaren zeventig woningbouw, onder andere langs het Kloofpad en de Tuinderij.

 

 

Woubrugge
Het dorp Woubrugge ontwikkelde zich langs weerszijden van de waarschijnlijk rond 1200 gereedgekomen waterverbinding tussen de Oude Rijn en het Braassemermeer, de Woudwetering, gedeeltelijk Heimanswetering genaamd. Deze vaart werd de ontginningsbasis voor de venen ter weerszijden, die in lange regelmatige stroken haaks op het water werden verkaveld. Woubrugge kreeg hierdoor een sterk lineaire structuur, die nog meer zou worden geaccentueerd door het verkeersdorpskarakter als gevolg van de binding aan de scheepvaart en de visserij. Tot 1656 voeren alle schippers op de noord-zuidroute door Holland via de Woudwetering, daarna kozen velen de Aar, het latere Aarkanaal. Het dorp ontleende een aanzienlijke welvaart aan dit verkeer en behalve de Nederlandse hervormde kerk (uit 1653) werden ook andere bouwsels in deze periode verduurzaamd. Door de turfwinning en de turfvaart en de instelling van een beurtveer op Leiden in 1726 bleef Woubrugge tamelijk welvarend. Er waren in de achttiende eeuw twee scheepswerven: één ervan werd in 1831 opgeheven, maar aan het zuidoosteinde van het dorp – juist over de gemeentegrens met Alphen aan den Rijn – functioneerde de andere nog tot 1980 (,,De Dageraad”).
De veenbodem ter weerszijden van de wetering werd in de jaren tot circa 1740 (oostzijde) respectievelijk 1765 (westzijde) weggebaggerd. De wegen achter de huizen werden poldergrens, waardoor het dorp scherp werd afgescheiden van het veel dieper liggende achterland dat ontstond na de droogmaking van de veenplassen. Op de plassen en in de andere wateren werd eertijds ook de visserij uitgeoefend. Later – in het midden van de negentiende eeuw – kam de sportvisserij op en ontwikkelde Woubrugge zich tot een centrum van watertoerisme. Als gevolg hiervan ontstonden verscheidene adressen voor de verhuur van bootjes en zes jacht- en reparatiewerven en andere op de oever- en waterrecreatie gerichte bedrijven. Dit leidde tot de groei van het dorp naar het noorden. In de drooggevallen polders werd inmiddels door vele dorpsbewoners het agrarisch bedrijf uitgeoefend, zowel akkerbouw als veeteelt. Het belang van de Woudwetering voor de dorpseconomie laat zich misschien aflezen uit het feit, dat de in 1505 ten behoeve van de scheepvaart afgebroken brug (Woubrugge!) pas in 1869 werd vervangen.

 

Nabij deze nieuwe oeververbinding ter hoogte van de Nederlandse hervormde kerk (vernieuwd in 1894 en 1920 en geheel vervangen door de huidige, iets zuidelijker gelegen brug in de provinciale weg in 1953) waren de eerste sporen van komvorming al zichtbaar geworden rond 1850, toen enkele huisjes langs de noordzijde van de Kerkweg voorkwamen. Langs de lineaire assen van het dorp trad tot het einde van de Tweede Wereldoorlog zowel enige verdichting als uitbreiding op; het meest opmerkelijk was evenwel de voortgaande komvorming nabij de Kerkweg en de uitbreiding naar het westen. In de eerste oorlogsjaren werd in dezelfde omgeving een tuinwijkachtig (straten)plan met omleidingsweg ten behoeve van het doorgaand verkeer ontworpen. Het plan werd overigens niet gerealiseerd.
Na de oorlog werd de helium fabriek in het dorp toch naar de westzijde vergroot, terwijl hier bovendien een kassencomplex verrees. De ontsluiting werd verbeterd door de ingebruikname van de rijweg en de aanpassing van de verbinding met deze slagader aan de eisen van de moderne tijd. Hierdoor kreeg het dorp een woonforensenkarakter. De Woudwetering/Heimanswetering werd eveneens opgewaardeerd: was het belang van deze vaarweg sedert 1825 tanend vanwege de opening van het Aarkanaal, in 1922 nam het belang weer toe. In 1932 werd hij tot eerste klas vaarweg bestempeld en na de oorlog (1952/1953) werd de diepte van het kanaal vergroot. De oorspronkelijke structuur van Woubrugge werd niet gewijzigd; wel waren er de nodige aanpassingen, infrastructurele voorzieningen en uitbreidingen in de na-oorlogse jaren.